020 3052 980  
  • EN
  • NL

Oneerlijk beding in algemene voorwaarden huurovereenkomst

Oneerlijk boetebeding in algemene voorwaarden huurovereenkomst

Hoge Raad 26 februari 2016

ECLI:NL:HR:2016:340

 

Een huurder heeft een woning in strijd met de huurovereenkomst onderverhuurd. In de algemene voorwaarden die deel uitmaken van de huurovereenkomst staat dat de huurder dan een onmiddellijk opeisbare boete verbeurt van EUR 125,= per kalenderdag dat hij een bepaling uit de huurovereenkomst overtreedt. De verhuurder zegt de overeenkomst op en vordert betaling van schadevergoeding en een boete.

Omdat Richtlijn 93/13/EEG (Richtlijn oneerlijke bedingen) dat voorschrijft, onderzoekt de kantonrechter ambtshalve of er sprake is van een oneerlijk beding in de zin van de Richtlijn, al heeft de huurder in zijn verweer slechts heeft gevraagd om matiging van de boete. De kantonrechter vindt de boetebepaling niet oneerlijk, en wijst de vordering van de verhuurder toe. De huurder stelt hoger beroep in en klaagt in zijn beroepschrift wel over de weigering van de kantonrechter om de boete te matigen, maar niet over het oordeel dat het boetebeding geen oneerlijk beding is. Het Gerechtshof ziet dan ook geen aanleiding om nogmaals ambtshalve te onderzoeken of het boetebeding oneerlijk was. Daar klaagt de huurder in cassatie weer wel over.

De Hoge Raad constateert dat zijn arrest van 13 september 2013 (ECLI:NL:HR2013:691) mogelijk verwarring heeft gewekt, doordat hij had uitgesproken dat een ambtshalve toetsing (zoals bij toetsing van oneerlijke bedingen) “in beginsel ook behoort toe te passen buiten het door de grieven ontsloten gebied, met dien verstande dat hij de grenzen van de rechtsstrijd van partijen dient te respecteren.”  Met andere woorden, de rechter moet ambtshalve toetsen, ongeacht of er een grief over een specifiek aspect is geformuleerd, maar hij mag niet beslissen over een onderwerp waar partijen geen verschil van mening over hebben.

In dit geval hadden de partijen een verschil van mening over toepassing van het boetebeding. Daarom behoorde het Hof het beding ambtshalve te toetsen, ook al had de huurder niet gesteld dat het beding oneerlijk was.

Wie als (particuliere) huurder procedeert in een zaak waarin (ook) betaling van een boete wordt gevorderd, doet er dus verstandig aan altijd een klacht over toepassing van het boetebeding te formuleren. Als de klacht zelf geen doel treft leidt hij er in ieder geval toe dat de rechter ambtshalve behoort te toetsen of het boetebeding oneerlijk is.

Edmond de Meijer(edm@bdmadvocaten.nl)

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2016:340

2 maart 2016