020 3052 980  
  • EN
  • NL

Matiging contractuele boetes

Op IT en Recht verscheen een artikeltje over de geldigheid van een boetebeding in algemene voorwaarden. Het ging om een persoon die via de website van Gay.nl de gebruikers van deze website commercieel benaderde. De algemene voorwaarden voor gebruik van de website stonden dat niet toe op straffe van een contractuele boete. Wat mij niet zozeer prikkelde is dat algemene voorwaarden van toepassing werden verklaard in het in dat artikel besproken vonnis, en ook het hoe en waarom daarvan niet. Wat mij er wel in opviel is dat de kantonrechter de toepassing van het boetebeding uit de algemene voorwaarden „niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid” vindt, maar dat hij vervolgens wel stelt dat er reden is op grond van artikel 6:94 lid 1 BW de boete te matigen. Dit wetsartikel laat toe dat de rechter boetes matigt als „de billijkheid dat klaarblijkelijk eist”. In dit vonnis wordt uit het enkele feit dat de gedaagde op grond van een toevoeging (met minimale eigen bijdrage) procedeert, afgeleid dat „de billijkheid klaarblijkelijk eist” dat de, door de eiser zelf al eerder gematigde boete, verder wordt gematigd. De reden daarvoor is, aldus het vonnis, dat „het gewenste effect ook bij een lager op te leggen boetebedrag wordt bereikt”. De kantonrechter besluit met de constatering dat opleggen van het gevorderde tot onaanvaardbaar resultaat zou leiden.

In het vonnis blijkt niet dat is onderzocht of „de billijkheid klaarblijkelijk eist” dat de boete wordt gematigd, maar de rechter neemt dit aan op grond van het enkele feit dat iemand met een toevoeging procedeert. In een arrest van 2007 (NJ 2007/262) heeft de Hoge Raad het volgende criterium aangelegd voor toepassing van het betreffende artikel:
„De in deze bepaling opgenomen maatstaf dat voor matiging slechts reden kan zijn indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, brengt mee dat de rechter pas als de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt, van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik mag maken. Daarbij zal de rechter niet alleen moeten letten op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen.”

In dit geval is wel heel erg makkelijk gebruik gemaakt van de bevoegdheid tot matiging. Immers, de matiging is niet gebaseerd op buitensporigheid en daaruit volgende onaanvaardbaarheid van de op te leggen boete, maar op grond van het feit dat het gewenste effect ook wel met minder boete bereikt kan worden. Uit niets in het vonnis blijkt dat in dit geval de geëiste boete van €15.000 buitensporig zou zijn. Daarvoor zou toch tenminste nader onderzoek vereist zijn geweest. Deze beslissing zou leiden tot een algemene beperking van boetebedingen voor alle partijen die op basis van toevoeging procederen, tot de toegekende boete van €5000. Dat kan toch niet de bedoeling zijn.

Het wringt des te meer omdat eiser al vrijwillig de boete had gematigd, gedaagde in de gelegenheid heeft gesteld voor €5000 te schikken en de eiser ondanks waarschuwingen haar spam-activiteiten op de website van eiser gewoon heeft voortgezet. Welke omstandigheden van het geval zouden dus kunnen bijdragen aan de conclusie dat de gevraagde boete buitensporig zou zijn? Naar mijn mening geen enkele (althans, zover het vonnis daarvan blijk geeft) en moet de matiging dus op het enkele feit van het procederen met toevoeging worden gebaseerd. Dat is bepaald niet een terughoudende toepassing van de bevoegdheid van de rechter zoals de Hoge Raad dat voorschrijft.

Meer informatie?

Neem vrijblijvend contact op met onze advocaat