020 3052 980  
  • EN
  • NL

De voorwaardelijke ontbinding en de WWZ, procesrecht en bewijsrecht

Op 23 december 2016 heeft de Hoge Raad naar aanleiding van prejudiciële vragen geoordeeld dat ook onder de WWZ voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst nog (beperkt) mogelijk is. In diezelfde uitspraak werd beslist dat het bewijsrecht in beginsel van toepassing is op ontbindingsprocedures. Een aantal procesrechtelijke knopen zijn door de Hoge Raad doorgehakt.

Onder het oude recht voorkwam de werkgever met een voorwaardelijk ontbindingsverzoek dat hij na een ontslag op staande voet tot in lengte van dagen het risico liep salaris te moeten doorbetalen. Over de (on)mogelijkheid een voorwaardelijk ontbindingsverzoek gehonoreerd te krijgen was onduidelijkheid.  De casus was – heel in het kort – als volgt.

Een werknemer wordt op 26 februari 2016 op staande voet ontslagen. Hij verzoekt de Rechtbank Overijssel binnen de geldende termijn van 2 maanden dat ontslag te vernietigen. Werkgever verweert zich daartegen èn dient een zelfstandig tegenverzoek in. In dat tegenverzoek verlangt de werkgever primair de voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens verwijtbaar handelen van de werknemer (de zogenaamde e-grond). Voorwaardelijk betekent in dit geval, voor het geval het ontslag op staande voet geen stand houdt. Subsidiair verzoekt de werkgever de onvoorwaardelijke ontbinding wegens een verstoorde arbeidsverhouding (de zogenaamde g-grond). De Rechtbank bepaalt een mondelinge behandeling waarbij alle verzoeken worden behandeld. Tijdens die zitting verzoekt de werknemer om een transitievergoeding, voor het geval de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden. .

Een volgende (procedurele) stap is dat de Rechtbank op 26 april 2016 het verzoek van de werknemer en de tegenverzoeken van de werkgever splitst. De wet biedt die mogelijkheid. In de zaak waarin de werknemer de rechter vraagt het ontslag te vernietigen wordt de werkgever opgedragen de ontslaggronden te bewijzen. In de zaak van de tegenverzoeken stelt de Rechtbank de Hoge Raad – kort gezegd – de vraag of de voorwaardelijke ontbinding onder de WWZ (nog) mogelijk is en of het bewijsrecht integraal van toepassing is.

De Hoge Raad oordeelt dat de werkgever ook onder de WWZ nog steeds ontvankelijk is in zijn verzoek tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst voor het geval het gegeven ontslag op staande voet wordt vernietigd. De Rechtbank mag echter niet vooruitlopen op een eventueel hoger beroep. Het is de Rechtbank niet toegestaan te beslissen dat ook voor zover in hoger beroep de arbeidsovereenkomst wordt hersteld,  ook in dat geval de arbeidsovereenkomst zal zijn ontbonden. De Hoge Raad geeft bovendien (procedurele) aanwijzingen aan de lagere rechtspraak: geschilpunten omtrent een ontslag op staande voet en de ontbinding van de arbeidsovereenkomst, die geheel of overwegend betrekking hebben op hetzelfde feitencomplex, dienen zoveel mogelijk gelijktijdig te worden behandeld en beslist.

Het leveren van bewijs vertraagt vaak de procedure. Niettemin oordeelt de Hoge Raad dat de regels van het bewijsrecht in de ontbindingsprocedure “in beginsel” van overeenkomstige toepassing zijn. Indien de (lagere) rechter die regels buiten toepassing laat, dient hij dat te motiveren.

Kantonrechter Rechtbank Overijssel 26 april 2016 ECLIU:NL:RBOVE:2016:1507
Hoge Raad 23 december 2016 ECLI:NL:HR:2016:2998 

Bert Bakhuis

Meer informatie?

Neem vrijblijvend contact op met onze advocaat