020 3052 980  
  • EN
  • NL

Bedenktijd na vaststellingsovereenkomst

Vaststellingsovereenkomst en aanvang bedenktermijn. Datum ondertekening werknemer beslissend

 

Rechtbank Rotterdam 10 februari 2016

 

ECLI:NL:RBROT:2016:996

 

Werknemer W is sinds 1999 bij steigerbouwer Hertel werkzaam. Eind augustus 2015 zegt de werkgever het vertrouwen in W op. W wordt geschorst. Partijen spreken vervolgens over een einde van de arbeidsovereenkomst. De gemachtigde van de steigerbouwer doet aan de gemachtigde van W, mr. Kerkhof,  een voorstel ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 maart 2016. Kerkhof antwoordt op 21 september 2015 met: “Cliënt kan akkoord gaan met de vaststellingsovereenkomst op één punt na. Graag ziet hij aanpassing van artikel 18 betreffende het non concurrentiebeding, in die zin dat het non concurrentiebeding voor zover dat geldt ongeldig wordt gemaakt. Ik verzoek u de vaststellingsovereenkomst aan te passen, waarna mijn cliënt zo spoedig mogelijk de door uw cliënt ondertekende vaststellingsovereenkomst zal retourneren aan u”. Aan dat verzoek van werknemer wordt voldaan, waarna mr. Kerkhof de gemachtigde van werkgever nog dezelfde dag bericht dat de vaststellingsovereenkomst nu akkoord is.

 

Werknemer W ontvangt per post op 22 september de definitieve versie. Werknemer ondertekent en dateert de overeenkomst op 28 september 2015.

 

Bij brief d.d. 9 oktober 2015 schrijft Kerkhof de werkgever dat werknemer binnen de geldende termijn gebruik maakt van zijn bedenkrecht zoals vastgelegd in artikel 7: 670b lid 2 en dat de vaststellingsovereenkomst is ontbonden.

 

De werkgever stemt daarmee niet in waarna de gemachtigden opnieuw corresponderen. Uiteindelijk stuurt Kerkhof aan de gemachtigde van werkgever op 3 november 2015 een e-mail bericht: “Mijn cliënt heeft laten weten te berusten in de eerder ondertekende vaststellingsovereenkomst”.

 

Werknemer bedenkt zich opnieuw. In kort geding vordert hij – met een andere gemachtigde – doorbetaling van salaris, ook na 1 maart 2016. Werknemer stelt dat hij tijdig, binnen de 14 dagen termijn, bij brief van 9 oktober 2015 de vaststellingsovereenkomst heeft ontbonden.

 

De kantonrechter oordeelt eerst over de vraag wanneer de vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen. Op welk moment is aan het schriftelijkheidsvereiste voldaan? In de wetsgeschiedenis leest de kantonrechter dat aan werknemers veertien dagen bedenktijd wordt gegeven nadat werknemer de vaststellingsovereenkomst ondertekent. De rechtszekerheid is er bij gebaat, voor zowel de werkgever als de werknemer, dat er een duidelijk en concreet aantoonbaar moment is waarop de bedenktijd aanvangt. Dat is aldus de kantonrechter, op het moment dat de werknemer tekent, in dit geval op 28 september 2015. Werknemer heeft dus op 9 oktober 2015 tijdig gebruik gemaakt van zijn bedenktijd.

 

In dit geval schiet werknemer daar echter niets mee op. Gelet op de e-mail van zijn gemachtigde van 3 november 2015 mocht de werkgever er gerechtvaardigd op vertrouwen dat werknemer in de beëindiging heeft berust. Artikel 7:670b lid 4 bepaalt dat een werknemer binnen 6 maanden niet nog eens van zijn bedenkrecht gebruik mag maken. De vorderingen van werknemer worden afgewezen.

 

Voor werkgevers is het dus zaak de bereikte overeenstemming snel vast te leggen, het einde van de arbeidsovereenkomst voortvarend af te wikkelen. De veertien dagen bedenktijd begint pas te lopen vanaf het moment van ondertekening door de werknemer. Waarom de werkgever op 21 september 2015 niet gerechtvaardigd op de e-mail van de gemachtigde van werknemer mocht vertrouwen, motiveert de kantonrechter mijns inziens ten onrechte niet.

Zie echter ook de blog van Barend Jan van Spaendonck van 24 juni

Bert Bakhuis (bb@bdmadvocaten.nl)

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBROT:2016:996

4 april 2016