020 3052 980  
  • EN
  • NL

Bedenktermijn bij beëindiging van een arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden: wanneer vangt die aan?

Bij de invoering van de Wet Werk en Zekerheid (WWZ) op 1 juli 2015 werd voor de werknemer een bedenktermijn geïntroduceerd voor gevallen waarin werkgever en werknemer een overeenkomst sluiten, waarmee de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd. Deze bedenktermijn bedraagt twee weken en moet uitdrukkelijk in de beëindigingsovereenkomst worden vermeld. Blijft die vermelding achterwege, dan bedraagt de bedenktermijn drie weken. Binnen de bedenktermijn kan de werknemer de beëindigingsovereenkomst zonder opgave van redenen ontbinden, mits schriftelijk.

 

In twee recente procedures kwam de vraag aan de orde wanneer die bedenktermijn precies gaat lopen. Dat is van belang, want meestal bereiken werkgever en werknemer na onderhandelingen overeenstemming, waarna die overeenstemming schriftelijk wordt vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, die na heen- en weerzenden van het stuk enkele dagen later door beide partijen is getekend. De vraag was of de bedenktijd gaat lopen na het bereiken van overeenstemming of pas na ondertekening van de overeenkomst door de werknemer.

 

Op 10 februari 2016 oordeelde de kantonrechter te Rotterdam in een kort geding dat de bedenktijd pas gaat lopen nadat de overeenkomst door de werknemer is getekend.  Zie de blog van Bert Bakhuis van 4 april 2016. Zijn collega in Leiden was echter in een kort gedingvonnis van 1 juni 2016 van oordeel dat met de e-mails van de advocaten van werkgever en werknemer, waarin de op hoofdpunten bereikte overeenstemming werd bevestigd, aan de wettelijke eis van schriftelijke vastlegging was voldaan en de bedenktijd dus op de dag na die e-mailwisseling was gaan lopen, en dus niet pas na de ondertekening van de overeenkomst. In dit geval had het oordeel van de rechter tot gevolg dat de werknemer te laat een beroep op de bedenktermijn had gedaan en dus gebonden was aan de beëindigingsovereenkomst.

 

Mij lijkt de opvatting van de kantonrechter te Leiden de juiste: diens oordeel past in het stelsel van ons contractenrecht en de wettelijke eis van schriftelijke vastlegging moet niet zó streng worden uitgelegd dat alleen een formele, door beide partijen getekende overeenkomst geldig is. Bevestigingen over en weer per e-mail, ook tussen de advocaten van partijen, zijn voldoende. Voorlopig moet de arbeidsrechtpraktijk het doen met twee tegenstrijdige uitspraken. Meer duidelijkheid valt pas te verwachten indien een gerechtshof in hoger beroep een van die uitspraken nog eens tegen het licht houdt en het verlossende woord spreekt.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2016:996

De uitspraak van de kantonrechter te Leiden is (nog) niet gepubliceerd op rechtspraak.nl

Barend Jan van Spaendonck (bjvs@bdmadvocaten.nl)

22 juni 2016.